Dit artikel van Willem Wansink verscheen in Elsevier (elsevier

11 maart 2006

Gezondheidszorg: Naastenliefde uit nood

Overheid wil dat de Nederlanders meer doen voor hun zieke partner, kinderen, ouders of buur. Mantelzorg in de Friese praktijk: 'Dit is leefbaarheid, de basis’

Anita de Groot (46), een kapster uit het Friese Balk, is eraan gewend dat mensen ziek kunnen worden en soms veel hulp nodig hebben. Als jong meisje zorgde zij al voor haar zieke grootouders. Toen haar man George op 3 maart 2001 – de verjaardag van haar opa én die van haar vader – door een hersenbloeding werd getroffen, stroopte ze de mouwen op. Uiteraard zou zij George verzorgen als hij verlamd thuis zou komen.

Vijf jaar later is George de Groot (51) bijna volledig afgekeurd. Toch werkt hij na zijn revalidatie weer halve dagen bij zijn oude baas op de tekenkamer. Zijn linkerarm kan hij niet gebruiken. Maar hij kan nog wel lopen, al vereist dat uiterste concentratie. 'Hij moet steeds denken: eerst de hak neerzetten, dan de voet. Daarna pas de knie buigen.’ Ze hebben drie kinderen, twee wonen nog thuis.

Extra belast
Mantelzorg is 'in’. Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft berekend dat 800.000 Nederlanders enige vorm van informele hulp of zorg ontvangen. Volgens het ministerie van Volksgezondheid wordt die hulp verleend door bijna vier miljoen mantelzorgers: mensen die – onbetaald – hulp bieden aan een familielid, vriend of buurman met gezondheidsproblemen. En dat minstens 8 uur per week, gedurende ruim 3 maanden. De doorsnee mantelzorger is vrouw, tussen de 35 en 65 jaar, en verpleegt gemiddeld 10 jaar lang een naaste. Zwaar, want het is werk waarvoor je vaak niet bent opgeleid. Logisch dat eenvijfde van hen zich extra belast voelt.

Het kabinet-Balkenende noemt mantelzorg de 'eerste hulpbron’ van een hulpbehoevende. Burgers, zo is de filosofie, zijn waar mogelijk zelf verantwoordelijk voor een volwaardige deelname aan de maatschappij. Zij moeten zo lang als het kan thuis blijven wonen. Raken ze ziek, dan worden eerst de naasten gevraagd. Pas wanneer het eigen informele netwerk het niet aankan, mag een beroep worden gedaan op voorzieningen als de thuiszorg. In dit verband werd recent de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) aangenomen door de Tweede Kamer. Volgens de WMO, die op 1 januari 2007 ingaat, krijgen gemeenten meer te zeggen over de informele hulpverlening, dus over de mantelzorg. De Kamer was pas overtuigd toen gemeenten werden verplicht om inwoners met een beperking ook echt te helpen.

'Veel mensen weten niet eens dat zij mantelzorger zijn,’ zegt Anita de Groot. Haar vriendin Dorothée Gassen (56), vrijwilliger uit Elahuizen: 'In de regel kies je er niet voor. Het overkomt je.’ Hun leven speelt zich af in Zuidwest-Friesland, in de gemeente Gaasterlân-Sleat. Dertien dorpen en één stad: 10.208 inwoners op 21.000 hectare tussen uitgestrekte weiden en waterlandschap, midden in het idyllische gebied van de Elfstedentocht.

Een stille wereld, een beetje jaren vijftig. Maar Gaasterlân-Sleat is wel een van de acht Friese gemeenten die als proeftuin dient voor de WMO. Gaasterlân-Sleat grenst aan Nijefurd, waar wethouder Jan Rodenhuis optreedt als ambassadeur van de WMO (zie 'Ik zeg: wie bepaalt, betaalt’ op deze pagina).

Mantelzorgers verstoppen zich vaak, weet Gassen. Zij schamen zich, want niemand hoeft te weten dat moeder of zoon moet worden verzorgd. Dat is immers vanzelfsprekend. Mantelzorgers zijn moeilijk te achterhalen, en al helemaal niet georganiseerd: een regionaal of landelijk register ontbreekt. Toch vormen zij de onmisbare samenhang in de maatschappij. Ze leveren de sociale cohesie waarover het kabinet slechts praat. Gassen: 'Mantelzorg is leefbaarheid in de praktijk. Hier gebeurt het. Dit is de basis.’

Ook Noortje Wagter gebruikt het begrip 'leefbaarheid’. Zij bedoelt daarmee iets anders dan wat de politiek er de afgelopen jaren van heeft gemaakt. Wagter is consulent vrijwillige thuishulp en mantelzorg van de Stichting Cozorg. Cozorg stimuleert vrijwilligerswerk. De stichting helpt de voorwaarden te scheppen om mantelzorgers, die veelal emotionele steun verlenen, te ondersteunen. Op haar laatste vakantiedag is Wagter vanuit het 60 kilometer verderop gelegen Leeuwarden naar Elahuizen gereden: 'Leefbaarheid betekent samenhang. Welzijn, wonen en werken. Naar elkaar omzien. Voorzieningen. Binding. Als een gemeente leefbaar is, doet zij het goed. Ja, het hangt op mensen.’

Binding is aanwezig op het platteland, al gaat er veel energie op aan het in stand houden van de sociale samenhang. De vraag is hoelang dat goed gaat. Nieuwe aanwas is nodig, nu de regio, na Schiermonnikoog, het meest vergrijsd raakt van heel Friesland. Gezinnen worden kleiner en jongeren trekken weg, omdat er minder werk is. Nieuwe inwoners komen uit het Westen en zijn vaak gepensioneerd. Terugkerende Friezen brengen evenmin veel mantelzorgers mee. Zij hebben vaak geen kinderen, zussen of broers om hen te verzorgen. Wagter: 'We hebben meer professionals nodig, die echte zorg uitvoeren.’

De tendens is anders. Van de kant van de politiek krijgen de mantelzorgers juist meer zorgtaken toebedeeld. Daarom organiseren Gassen en De Groot, samen met andere vrijwilligers, elk jaar de Dag van de Mantelzorg. In 2006 staan de vergeten jonge mantelzorgers centraal. De binding wordt bevorderd, er ontstaat een nieuw elan. Gassen: 'We moeten ervoor waken dat te weinig mensen de zorg voor anderen op zich nemen.’ Wagter: 'Ook jonge mantelzorgers moeten weten waar ze terechtkunnen als zij het niet meer aankunnen en zelf ooit hulp nodig hebben.’

Het verschil met oudere Friese mantelzorgers is dat jongeren leergieriger zijn. Zij willen weten waar ze aan toe zijn en zoeken precies uit wat degene heeft die zij verzorgen. Toch dreigen juist zij aan het kortste eind te trekken. Want mantelzorg kost tijd en geld, er bestaan amper vergoedingen, en de overheid komt financieel slechts mondjesmaat over de brug. Bedrijven verdwijnen en de kans op een vaste baan is daarmee klein. Wat rest, is schoonmaakwerk in een luxe-appartement. De Groot: 'Als hen geen perspectief wordt geboden, loopt het hier spaak. Dan zijn de jonge mantelzorgers van nu de arme ouderen van later.’

Kader bij artikel:
'IK ZEG: WIE BEPAALT, BETAALT'
Wethouder Jan Rodenhuis over zijn Friese mantelzorgproject

Jan Rodenhuis (49) is wethouder in Nijefurd, een gemeente met 10.940 zielen in Zuidwest-Friesland. Samen met zeven naburige gemeenten werkt hij aan een mantelzorgproject. Zij bereiden zich voor op de nieuwe Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Rodenhuis (PvdA) is ambassadeur van de WMO: ‘Er gaat veel veranderen in de dorpen en steden.’

Wat houdt de proef in?
Rodenhuis: ‘In een kleinschalige omgeving – 120.000 inwoners in acht gemeenten – gaan wij of na of de rek eruit is bij de vrijwilligers en mantelzorgers. We kijken naar de sociale steunstructuur: de burgerlijke samenleving. Is die sterk genoeg of moeten we van goede voorbeelden elders leren?’

ELSEVIER En, staat uw samenleving onder druk?
Rodenhuis: ‘De sociale eenheid is groot, er wordt goed op elkaar gelet. Wat je in je eigen dorp niet vindt, zoek je in de regio. Dat geldt ook voor het verpleeghuis en het ziekenhuis. Dit is onze kans, al moeten we zorgen dat mensen die iemand verplegen vaker een dagje vrij hebben.’

ELSEVIER Wat functioneert goed?
Rodenhuis: ‘De vrijwilligerscentrale in Sneek is uitstekend. En wij hebben een heel goede ouderenadviseur.’

ELSEVIER Is uw gemeente klaar voor de nieuwe wet?
Rodenhuis: ‘Ja. Als gemeente hebben wij weinig hoeven doen. De burgers regelen het hier allemaal zelf wel. Zij zorgen voor de sociale samenhang. Nog wel, maar de onderhuidse spanning neemt toe. Den Haag bezuinigt, en ook bij ons daalt het aantal vrijwilligers. Volgens de wet krijgt het Rijk een deel van de gemeentelijke autonomie terug. Ik zou zeggen: wie bepaalt, betaalt.’